



Een terugblik
Officieel gestart in 1973, begint het eigenlijke verhaal veel eerder,
met name in de woelige jaren zestig. In die periode kreeg het
sociaal-cultureel vormingswerk nieuwe impulsen, zowel in Vlaanderen als
daarbuiten. Binnen de Kerk werd eveneens een vernieuwingsbeweging
zichtbaar, mede versterkt door het tweede Vaticaans concilie. In die
tijd van snelle en fundamentele veranderingen, zowel in de mentaliteit
van mensen als in de structuren, werd de vraag naar vorming en
voortgezette vorming in alle scherpte opgeroepen.
De toenmalige verantwoordelijken voor de voortgezette vorming in de
verschillende Vlaamse bisdommen (diocesen), startten in het licht
hiervan in 1967 een gezamenlijk overleg: de interdiocesane werkgroep
voortgezette vorming. Hieruit groeiden nieuwe inzichten omtrent
vorming, waarbij verworvenheden vanuit de menswetenschappen werden
binnengebracht, zowel in de inhoud van het vormingsaanbod als in de
wijze waarop gewerkt werd. Er kwam meer ruimte voor een systematische
aanpak van het vormingswerk, voor actieve methodes van leren, voor
leren aan ervaring en in groepsverband.
Deze belangrijke ontwikkelingen vroegen op een gegeven moment
aangepaste structuren. De nood aan een nationale instelling werd vanuit
de verantwoordelijken voor vorming in de bisdommen duidelijk
geformuleerd en voorgelegd aan de bisschoppen. Resultaat hiervan: in
1973 werd de vzw Centrum voor Christelijk Vormingswerk opgericht.
De statuten van de vzw, verschenen in het Belgisch staatsblad van 12
april 1973, omschrijven het doel van de vereniging als volgt: de
samenwerking, de coördinatie en de opbouw van het sociaal, cultureel en
moreel vormingswerk vanuit christelijke inspiratie te bevorderen. Dit
vormingswerk moet in de ruimste zin worden opgevat. Om deze
doelstelling te verwezenlijken beschouwt het centrum o.a. als zijn
opdrachten:
- het opzetten van gezamenlijke projecten van opleiding, vorming en
actie in de sector van het sociaal-cultureel en moreel vormingswerk;
- het volgen en beïnvloeden van de evolutie van dit werk aan de basis.
Vanaf juni 1973 zien we een aarzelende start van de werking. Elke
bisdom en de vereniging van Hogere Oversten duidden contactpersonen
aan, het budget werd vastgelegd, de eerste regionale secretariaten
worden ingericht. De organisatie start tevens met de voorbereiding van
het subsidiedossier. CCV wordt lid van het CSKW, de cultuurkoepel
van christelijke organisaties die zorgde voor de belangenbehartiging in
het prille Vlaamse cultuurbeleid.
Vanaf 1978 kon CCV rekenen op een erkenning en subsidiëring vanwege
de Vlaamse overheid als socio-culturele vormingsinstelling. De
structurele ondersteuning die het decreet bood, maakte de systematische
uitbouw van het vormingswerk verder mogelijk.
Dankzij de subsidies konden professionele educatieve medewerkers worden
aangetrokken voor de begeleiding van de vormingsprogramma's en de
ontwikkeling van een aangepast, eigentijds vormingsaanbod over
zingeving. De aanwerving van administratieve medewerkers ondersteunde
de professionele uitbouw van de instelling. De erkenning betekende ook
een waardering voor de plaats die CCV intussen had verworven binnen
het Vlaams sociaal-cultureel werkveld en voor de eigen bijdrage als
christelijk vormingswerk in een pluralistische samenleving.
In 1983, tien jaar na de oprichting, telde CCV elf educatieve en
zeven administratieve medewerkers. Jaarlijks werden ongeveer
tweehonderd vormingsprogramma's georganiseerd, goed voor ruim
vierduizend cursusuren en voor een vijfduizendtal cursisten.
In de daaropvolgende jaren blijft de instelling groeien hoewel op het
vlak van de subsidiëring de groei via het decreet niet kan gehonoreerd
worden.
In 1988 wordt binnen de structuur van CCV een nieuwe regio
opgericht (CCV-VOCA) om specifiek voor de gezondheids- en
welzijnsvoorzieningen een aangepast vormingsaanbod te ontwikkelen. Dit
aanbod kent een groot succes; de regio Voca groeit uit tot een
waardevolle aanbieder van vorming en begeleiding in de non-profitsector.
Twintig jaar na de oprichting organiseert CCV jaarlijks tussen de
driehonderd en vierhonderd vormingsprogramma's met een gemiddeld
jaarlijks urentotaal van ongeveer 7 000 uren die, conform de bepalingen
van het decreet, voor subsidiëring in aanmerking komen. In 1993 heeft CCV 33 personeelsleden in dienst, 23 educatieve en 10
administratieve.
Hoewel het vormingswerk sinds de oprichting enorm is gegroeid - tussen
1985 en 1990 stijgt de werking zelfs tot boven de 8 000 vormingsuren -
blijven de subsidies gedurende een hele tijd stagneren.
Het jaar 1995 betekent opnieuw een belangrijke mijlpaal door de
invoering van het nieuwe decreet voor volksontwikkelingswerk voor
volwassenen in instellingen. Na een jarenlange blokkering van het
subsidievolume, kan de instelling het erkenningsvolume van 5 750 uren
uitbreiden naar 6 750 uren. Op deze wijze krijgt CCV eindelijk ook
decretaal een erkenning en subsidiëring in verhouding tot de werking.
Problemen met de uitvoering van het decreet maken echter dat de voor
onze instelling voorziene en door de overheid al toegezegde groei nog
in hetzelfde jaar moet teruggeschroefd worden tot het oorspronkelijke
urentotaal van 5 750.
Ondanks deze perikelen betekende de invoering van het decreet een
financiële verbetering aangezien het subsidiepercentage voor
personeelstoelagen voor alle mandaten werd verhoogd naar 95% (voorheen
80%) wat nieuwe perspectieven bood voor de instelling.
In 2003 werd voor de sector van het sociaal-cultureel volwassenenwerk
een nieuw decreet ingevoerd. Dit decreet bracht ook voor CCV heel
wat nieuwe uitdagingen en problemen. Zo zag de organisatie zich
uitgedaagd om op overtuigende wijze aan de overheid aan te tonen dat CCV een 'landelijke gespecialiseerde instelling' is. Het werken met
beleidsplannen bracht een nieuwe interne dynamiek tot stand.
Het nieuwe decreet bracht evenwel ook ernstige problemen: CCV
krijgt vanaf 1 januari 2004 ruim 55% minder overheidssubsidie dan
voorheen, inhoudelijk wordt een groot deel van de voor ons relevante
werking niet langer door de overheid weerhouden als 'subsidieerbaar'.
Hoewel CCV voorlopig stand houdt in deze nieuwe situatie, vormt het
niettemin een ernstige bedreiging voor het waardegebonden, i.c.
christelijk vormingswerk.